Niet zozeer het aandeel 55-plussers, maar vooral het aandeel jongeren tussen 15 en 24 zonder een job beïnvloedt de hoogte van de activiteitsgraad in ons land. Dat blijkt uit een nieuw rapport van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. De afgelopen 20 jaar is het aandeel werkende jongeren in ons land geleidelijk afgenomen. De kloof met de buurlanden neemt toe.

De activiteitsgraad in België is de voorbije 20 jaar met 4 procentpunten toegenomen. In 2018 bedroeg ze 68,8 procent. De activiteitsgraad is het percentage mensen met een job of die een job zoeken ten opzichte van de totale bevolking op arbeidsleeftijd (15-64 jaar).

Maar het kan altijd beter uiteraard en het zal ook beter moeten, zegt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Want de demografische piek (de leeftijdscategorie met het hoogste aantal inwoners) zal tegen 2030 verschuiven van 50-54 jaar naar 60-64 jaar. Dat betekent dat er dus minder mensen beschikbaar zullen zijn om te werken. Van degenen die wel beschikbaar zijn, zal dus een groter aandeel aan de slag moeten.

Daarenboven loopt ons land duidelijk achter op de buurlanden. Duitsland heeft een activiteitsgraad van 78,6 procent, Frankrijk van 71,9 en Nederland van 80,3 procent. Ons land zit ook nog steeds onder het Europese gemiddelde.

Te veel schoolverlaters zonder diploma

Als het over het activeren van niet-werkenden gaat, denken velen in de eerste plaats aan ouderen. Daar zit echter niet het grootste probleem, blijkt uit het rapport van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. De activiteitsgraad van de 55- tot 59-jarigen is de voorbije 20 jaar "vrij spectaculair" gestegen, zegt de Hoge Raad, van 40 procent in 1999 naar 71,5 in 2018. Ook onder de 60- tot 64 jarigen is een groter aandeel aan het werk, al blijven we daar nog ver onder het gemiddelde van de belangrijkste buurlanden hangen.

Tegenover die positieve ontwikkelingen staat echter een geleidelijke afname in de activiteitsgraad van de jongeren tussen 15 en 24 jaar. Die bedraagt nu minder dan 30 procent. En in die leeftijdsgroep is de kloof met de buurlanden ook het grootst. Volgens de Hoge Raad komt dat onder meer doordat studenten in onze buurlanden vaker studeren en deeltijds werken combineren. Daarnaast zijn er ook te veel schoolverlaters zonder diploma in ons land.

Om meer jongeren aan het werk te krijgen, stelt de Hoge Raad dan ook voor om in samenwerking met scholen vroegtijdige schoolverlaters te onderscheppen en te begeleiden. Soepelere regels omtrent studentenarbeid moeten ervoor zorgen dat ook in ons land meer studenten aan de slag kunnen. Al wijst de Hoge Raad erop dat studenten laaggeschoolden niet mogen verdringen en de job hun studieslaagkansen niet mag beïnvloeden.

Ook alternerend leren (deels studeren, deels ervaring opdoen op de arbeidsmarkt) zoals in het secundair onderwijs toegepast wordt, zou uitgebreid kunnen worden naar het hoger onderwijs. En de effectieve studieduur moet naar beneden: te veel studenten doen er te lang over om een hoger diploma te halen.

Naast het activeren van jongeren moet er echter ook verder ingezet worden op ouderen. Want ondanks de toename van de activeringsgraad zijn ook daar nog hoge noden, zegt de Hoge Raad. De vervroegde uittredingsmogelijkheden uit de arbeidsmarkt moeten verder worden afgebouwd, vindt de Hoge Raad.

Er moeten ook maatregelen genomen worden om te vermijden dat mensen ziek worden of te lang afwezig blijven. En voorts merkt de Hoge Raad ook het negatieve effect van anciënniteit (meer loon naarmate men ouder wordt) op de activiteitsgraad van oudere mensen. Zo worden oudere werknemers in ons land sneller ontslagen dan in andere landen. "Het verschil tussen het productiviteitsverloop en het verloop van de lonen verzwakt de positie van de oudere werknemers op de arbeidsmarkt."